WONEN IN ITALIË – Zomer
Wat vind ik het leven hier in de zomer toch een feest! De hele tuin staat vol bloemen, vruchten rijpen en in de 'orto' schieten de bonen als groene raketjes uit de grond.
Mijn leven speelt zich nu voor een groot deel buiten af. Het eerste wat ik 's morgens nog half slaapdronken doe, is de deuren naar het terras wijd open zetten. Dan zet ik thee en daarna koffie en ga met de digitale krant op het terras zitten.
Soms, als ik de discipline kan opbrengen, ga ik een uurtje lopen. Het is zo heerlijk buiten in de vroege ochtend.
Later trek ik m'n tuinplunje aan en zodra er een beetje schaduw staat, maar ook wel in de zon, pak ik m'n schoffel en m'n schepje en maak weer een border vrij van onkruid.
Negen potten jam hebben mijn aardbeien mij al opgeleverd maar ik heb alwèèr een vergiet vol. Ook de eerste frambozen beginnen te kleuren en de perzikboom hangt vol met nog niet rijp fruit.
Toch is er één gedachte die mij sinds ik 70-plusser ben (te vaak) bezighoudt. Hoe lang kan ik dit leven nog volhouden? Hoelang kan ik nog tegen m'n schuin aflopende borders opklauteren en heb ik nog de energie om me met dertig graden hitte op het onkruid te storten?
Ik pieker daar best regelmatig over. Mijn tandarts in Hilversum lachte mijn gepieker weg. Hij heeft een patiënt van negentig, vertelde hij, die vanuit zijn huis in Ventimiglia regelmatig op en neer rijdt. Het beste is, denk ik, het van jaar tot jaar te bekijken.
Behalve aan tuinieren, ben ik ook druk met een aantal andere taken die ik vrijwillig op me genomen heb. Dinsdag was ik al om acht uur onderweg naar Saliceto om daar voor het Rode Kruis een vracht buisjes gevuld met bloed en urine op te halen en naar het ziekenhuis te brengen.
Ik moest even wachten, want er waren nog enkele mensen die geprikt moesten worden of in een potje moesten plassen. Ik gebruikte de wachttijd om even de kerk in te lopen. Daar werd luidkeels gebeden door een stuk of wat vrouwen.
De kerk heeft enkele mooie kunstwerken, maar ik was bang om te storen en liep het middeleeuwse straatje in van het oude centrum. Schoonheid is hier nooit ver weg.
Om half elf was ik alweer klaar en ging ik naar huis. Onderweg veel boodschappen gehaald bij Sara, want collega-vriendin Karin Greep komt logeren en dan mag het haar aan niets ontbreken.
Een babbeltje in de winkel, met een hartelijk "fijne dag!" uit elkaar gegaan. Ik denk even aan de Nederlandse zelfscan-kassa. Gaat lekker snel, hoef je niet te praten, maar wat gaat er veel intermenselijke contact mee verloren.
Dan krijg ik een bericht van Grazia: Sergio, de man van Bruna, is overleden. Een week of zes geleden zat ik daar nog in hun keukentje en dronken we op hun 60-jarige bruiloft! Het was zijn tijd, zeggen ze hier,
87 was hij.
Het nieuws verspreidt zich snel. Ik krijg van verschillende dorpsgenoten appjes toegestuurd. De volgende ochtend om half elf beginnen de klokken te luiden. Het is een eeuwenoude traditie. Ze verspreiden het doodsbericht en roepen de dorpelingen op voor de overledene te bidden. Ik kan niet naar de begrafenis want krijg dus een logé.
Zo kabbelt mijn Italiaanse leven voort. Voornamelijk gevuld met gewone dagelijkse dingen. De natuur, het werk op het land, de kerk met zijn feesten en het sterke onderlinge contact bepalen hier het leven.
En ik doe overal aan mee. Ze omarmen me en dat heb ik ook nodig. Soms knelt het een beetje maar dan maak ik me wat los. Zelden in een omgeving gewoond waarin ik me zo vrij voel en me toch ook zo beschermd weet.


Jarenlang was het een droom. Een huis in Italië. Op vakantie stond ik steevast lang voor de etalage van de makelaar ter plaatse. Maar het moment was (nog) niet geschikt. Ik werkte nog, mijn geliefde was ziek, m’n ouders hadden steeds meer zorg nodig. Ik bleef dromen en fantaseren, allemaal heel veilig. Jaar na jaar ging voorbij. Er gebeurde veel. Cor ging dood, ik maakte een voettocht naar Rome, werd ontslagen en toen was daar opeens het moment van: nu of nooit.

